Info Panel
You are here:   Home  /  Penningen  /  1666: Invoering van het haardstedegeld
  • 1666_Back
  • 1666_front

1666: Invoering van het haardstedegeld

Wie zich bedenkt dat de zeventiende eeuw een klimaat had dat tegenwoordig ‘de kleine ijstijd’ wordt genoemd, die kan zich voorstellen hoe belangrijk het was een haard in huis te hebben. In de zeventiende-eeuwse winters bevroren de plassen en rivieren, soms bevroor de inkt in inktpotten, een enkele keer lag de Zuiderzee dicht. Het heerschap op deze penning, gestoken in een in dikke jas, steekt zijn handpalmen dan ook niet ten onrechte uit naar het vuur.

Het regime van de Ware Vrijheid probeerde oorlogen te ontlopen, maar had een slechte buur man Engeland. Oorlogen kostten geld, veel geld. De twee miljoen inwoners van de Republiek betaalden het meeste belasting van alle Europeanen, en van de Nederlanders betaalden de inwoners van Holland, het gewest waarvan Johan de Witt raadpensionaris was, het allermeest. Net als tijdens de Tachtigjarige Oorlog was het ook in de oorlogen tegen Engeland het rijkste gewest dat het grootste aandeel van de kosten voor zijn rekening nam.

Holland had al een belasting geheven op renten en op het bezit van huizen en landerijen. Het had een heffing ingevoerd op het transport van bagage van personen die reisden per koets of trekschuit. De invoering van het haardstedegeld was een volgende maatregel om de schuldenlast van de provincie binnen te perken te houden. Het was een slimme belastingmaatregel, want door de toegenomen welvaart en industrialisering, en door de ruimte definitie van ‘haard’, was een veelbelovende fiscale inventie op de bevolking losgelaten.

Iedereen die een haard had, of die zich nu op zolder, in het souterrain of in een voor- of achterkamer daar tussenin bevond, die moest twee gulden betalen. Hetzelfde bedrag werd gerekend voor iedere stoof, oven, kachel en fornuis. Het bedrag verdubbelde voor vuurbronnen in het bedrijfsleven. Vier gulden dus voor elke brouw-, verf-, zeep-, traan- en brandewijnketel en voor iedere bak-, kalk-, steen-, pan-, tegel- en glasoven.

Het was een bewerkelijke belasting, want lang niet iedere haard kwam uit op een schoorsteen, zodat alleen huisbezoek het werkelijke aantal haarden kon vaststellen. Op bedrog bij aangiften stonden hoge boetes, zo’n zevenmaal het bedrag van regulier haardbezit, maar dit voorkwam fraude natuurlijk niet. Dit was voor de belastinginners een groot bedrijfsrisico. Zij hadden hun functie in pacht van de overheid, en moesten een bepaald bedrag aan de staat afstaan, maar er ook iets aan overhouden om van te kunnen leven. De inners van het haardstedegeld hadden dan ook hun handen vol aan de nieuwe maatregel. Vooral in de beginperiode, toen de administratie van de haarden nog moest worden opgebouwd, kwam het geregeld voor dat de inners zo weinig hadden ingebracht dat ze moesten voorschieten. En dat terwijl de Staten van Holland de belastinginners een beloning van vijf procent van de totale opbrengsten in het vooruitzicht stelden om hun ijver te stimuleren.

De penning hierboven is uitgegeven door de stad van Leiden omdat hier het nieuwe haardstedegeld zo consciëntieus en profijtelijk werd opgehaald. Terug naar de man voor het behaaglijke haardvuur: achter hem staat een kleine stoof met een reageerbuis die uitloopt op een fles – een tafereel waarin we fiscaal een dubbel tarief kunnen berekenen. De man is omgeven door de wapenschilden van de vier Leidse burgemeesters die verantwoordelijk waren voor het doorvoeren van het haardstedegeld. OPERE, PRO ARIS ET FOCIS PRAESTITAE REDHOSTIMENTUM luidt het randschrift, Gelijkwaardige vergelding van de arbeid voor de godsdienst en het vaderland gedaan.

Op de andere zijde twee engeltjes die het wapen van de stad Leiden met zijn twee sleutels in de heldere lucht houden, met daaronder: Uit roock, de grootste ydelheyt/ de alchymist geen loot kan trecken/ maar yver en gehoorsaamheyt/ doet rook tot gout en silver strekken/ daer ieder aanspant men den raedt/ is roock en goutmyn voor den staet.

Op de wimpel wordt op het gedichtje voort geborduurd  – dat uit iets ongrijpbaars als de omhoog kringelende rook zo iets buitengewoon grijpsbaars als geld voort kan komen! ARGENTUM EX FUMO NON ARS SED OBSEQUIUM FECIT, Niet de kunst maar de gehoorzaamheid heeft van de rook geld gemaakt.

  1666  /  Penningen  /  Last Updated april 2, 2019 by Ruurt Hazewinkel  /